Rijks Archief Assen OSA 868 en 869 Wie geen boer was, werd als keuter aangemerkt en betaalde derhalve een gulden. Ook voor een ambacht, een neringdoende of een ambt werd een gulden gerekend. Een timmerman bijvoorbeeld betaalde dan twee gul den: één als keuter en één als ambachtsman. De armen, die van aalmoe zen leefden, waren vrijgesteld. De familie Karsten. In het haardsteden register van 1742 komt voor het eerst in de Kale Buurschap de naam Karsten voor en wel Karst Karsten. In de jaren 1691 tot en met 1693 op het zelfde adres de naam Carst Coops en in 1672 is dat dezelfde persoon, maar dan geschreven als Carsijn Coops. Vanaf het eerste jaar van de belastingheffing- in 1672 dus is het reeds een “vol huis” Na deze uitleg is het duidelijk, dat de Karstens al vanaf de invoering van het haardstedengeld in Drenthe met vier paarden tot de welgestelde families behoorden. In1764 was Karst Karsten -toen geschreven als Carst Carsten- één van de ondertekenaars van het register en in 1784 was hij dat wederom. Alle jaren bleef het een "‘vol huis” waarbij in 1794 en in 1804 de belasting op naam stond van de weduwe Carst Carsten, in 1804 was haar zoon Lucas mede-ondertekenaar van het opgestelde haard steden register. 1691-1694,1742-1804 Hoewel in 1672 was besloten het haardstedengeld maar één keer te heffen, viel in 1691 de beslissing om nogmaals te gaan heffen, aangezien de Drentse overheid geld nodig had en vanaf dat jaar werd de belasting zonder onderbreking geheven. Bovendien werd een dubbel haardstedengeld bedacht. Vier paarden kostte voortaan acht gulden. Deze verdubbeling was van toepassing in de jaren 1703 tot en met 1713 en daarna vanaf 1742. In 1742 werd tevens bepaald dat elke tien jaar een nieuw register zou worden aangelegd. Zodoende zijn er registers van 1742, 1754, 1764, 1774, 1784 85 en van 1804.

Geheugen van Drenthe

Ons Ruinerwold | 2011 | | pagina 9