Egbert en Menzo van Echten schenken de helft van hun Venehof als pas
torie: elk der kolonisten gaf naar rato, zodat met de kerkbouw kon worden
begonnen. Het nieuwe kerspel kreeg de naam Kokange, zeker om
Blijdenstein te verzoenen met het verlies aan inkomsten, want zo bleef de
oude onderhorigheid in de naam uitgedrukt. Een andere reden zal zijn
geweest dat Echterveen onder Ruinen viel, waar de kerk kloosterbezit
was en dus ook elk afgesplitst deel. De heren van Echten wilden namelijk
zelf rechten houden in de nieuwe kerk. Dat is hun gelukt, want ze kregen
een collatie het recht van voordracht van de priesters. De bisschop kon
natuurlijk uitsluitend benoemen!
De pastoor van Koekange had dus als inkomen de opbrengsten van een
halve hoeve. Daarnaast moest elke Oldehof jaarlijks een half mud rogge
en een half mud gerst als kerkelasten opbrengen. De Niehoven, de nieuwe
hoeven der tweede kolonisatie, reeds gebouwd of in de toekomst nog te
stichten, moesten van beide korensoorten elk een schepel leveren, tel
kens ook op Kerstdag. Bij kerkelijke hoogtijden begrafenis, doop, huwelijk
enz. zou men betalen wat men in Blijdenstein gewoon was geweest.
Op Sint Walburgsdag zou men uit elk huis 1 stuiver moeten opbrengen
voor licht, hostiebrood en wijn en alles wat de kosterij betrof.
De heren van Echten moesten op Paaszondag 1 pond was leveren voor
de paasverlichting.
Sint Walburg was een heilige, die inzonderheid in Groningen werd vereerd.
De heilige der Echterveense kolonisten is dus als kerkheilige aanvaard.
Hun invloed blijkt ook uit de kerkelasten. Ze werden geleverd in
Groninger mudden. Maar de Niehoven brachten schepels graan naar
Overijssels gebruik. Blijkbaar is de tweede groep kolonisten uit Salland
en omgeving gekomen. Zij waren waarschijnlijk de aanzienlijksten. De
Schoonvelde’s waren vermoedelijk van Bentheimse adellijke afkomst.
Mede daardoor zal de naam van hun woonplaats die van het kerspel zijn
geworden en is er zo spoedig na hun komst een kerk gebouwd. Ook hun
paard was de rit meermalen ondoenlijk, ’s Winters, als bij sneeuw en ijs
grote scharen wolven rondstroopten, moest de kerkgang soms geheel
worden gestaakt.
Heel de westerse wereld was toen rooms-katholiek en men weet welk een
onvervangbare plaats kerk en priester hebben in deze geloofsopvatting.
Er moest iets worden gedaan, dat was begrijpelijk. En de mogelijkheden
daartoe waren er, nu de kolonie groter begon te worden. Een deputatie uit
de kolonie is in 1331 naar Vollenhove getogen, waar de bisschop van
Utrecht was. Met hem is de zaak van alle kanten bekeken. Hij gaf daarna
aan pastoor Rudolf van Vollenhove opdracht alle voorbereidingen te tref
fen en van de kolonie een zelfstandig kerspel te maken. In augustus 1331
is de zaak geregeld.