J.H. Baarslag.
Het gaat kennelijk allemaal erg moeizaam, maar op 30 maart 1775 is het
dan eindelijk zover dat de kerkvoogden “tot voorkominge van vorder dis
puut en oosten” een overeenkomst sluiten met Roelof Boverhof en de
andere erfgenamen. Er worden nieuwe grenspalen geplaatst en de situ
atie wordt precies omschreven. Het stuk is ondertekend door de kerk
voogden Jacob Jans Schiphorst, Hendrick Jans Coekange en R.W
Steenbergen, maar niet door een vertegenwoordiger van de erfgenamen.
Jan Bartels Smit die in 1731 kerkvoogd was, verklaart dat er toen een ak
koord is gesloten tussen Arend Snijder en de kerkvoogden. De brink voor
het huis is nooit afgevreed geweest.
Roelof’s Boverhof is geweest, en dat de afvredinge nu wijder na de ker-
kengrond is, te weten ten Noorden van het slootjen aan de Noordkant
van het huijs.”
Tenslotte is er een verklaring van 14 november van de kerkvoogden Jan
Jans Roelofs, Roelof Hermens Slomp en Willem Jans, dat de erfgenamen
van Koop Roelofs Boverhof hout hebben laten hakken buiten de vree.
De “onpartijdige mannen” die Roelof Roelofs Boverhof voorstelde zijn
blijkbaar ingeschakeld om uit de impasse te komen. Bijna een jaar later
sturen de kerkvoogden de pander weer met een brief naar Boverhof.
Hierin wordt vermeld, dat er volgens een uitspraak van “goede mannen in
dato den 30 Meert 1773” opnieuw stenen en palen moeten worden ge
plaatst om de grens aan te geven. Roelof zegt tegen de pander dat hij er
met zijn consorten over zal spreken.
De verklaringen zijn allemaal vrij vaag en zullen vermoedelijk weinig bijgedragen hebben
aan een definitieve oplossing