In de weken die nu nog komen gebeuren geen vervelende dingen, Mevrouw en ik zijn aan elkaar gewend en ik mag vaak naar mijn zus in Doorn. Ze worden ook uitgenodigd op Zondag bezoek en zijn vol ontzag dat ik in zo'n deftig huis ben terecht gekomen. Ik breek niets meer en ga voorzichtig om met het antiek. Met de Kerst nog het beloofde diner en na Nieuwjaar aan de nieuwe stage beginnen in -zo als ik al wist- Oranje Nassauw oord in Renkum. Mevrouw is al tijden van te voren bezig met toe bereidselen voor de Kerst. Onder haar leiding worden manden met fruit, kerstkransen en allerlei lekkers klaar gemaakt voor de arme mensen want die zijn er in grote getale. Ik begin nu een groot respect te krijgen voor haar. Ze heeft belangrijke kennissen met auto's die af en aan rijden om al les weg te brengen. Vermoeid legde ik me te slapen op een in de haast gespreid bed op de zolder om de volgende morgen zo vroeg mogelijk weer weg te rijden naar de Ijselbrug. Ik kan me niets van die mensen herinneren alleen, dat zij een lange tanige, niet vriendelijke vrouw was die de baas scheen. Als ik dan aan mijn ouders denk die in de oorlog zoveel mensen onderdak ver leenden dan word ik heel verdrietig. Maar nu was ik dan op weg naar het beloofde land! De pontbaas was heel aardig en ik vertel hem blij dat ik naar mijn ouders ga en dat mijn moeder jarig is. Hij wenste me een goede reis en ik ga als op vleugels de laatste kilometers afleggen. Het is beginnen te vriezen, mistig en de weg was glad. Waar ik te laat aan dacht was, dat het Dankdag voor het gewas was. En laat ik nu net een lange sliert kerkvolk tegenkomen op het laatste stuk naar Dijkmansweg in Ruinerwold. Een beetje beschaamd kom ik thuis, maar de blijdschap van mijn moeder vergoedt alles. De hervormde predikant is er kind aan huis en ze geeft vaak een informeel etentje aan haar vriendinnen en is tevreden over mij. leste daar aan te komen .Toen was er maar één fietsenmaker en dat was mijn geluk. Die had ik vlug gevonden. Dus ik bel daar aan en er verschijnt een wantrouwig mensje aan de deur die ik vroeg. "Bent u Geertje Koelewijn". Dat was dan ook alles wat ik wist van mijn ouders, en ik zeg gauw, "Dan ben ik een nicht van u." "Nou, nou dat weet ik zo net nog niet"zegt ze vinnig en slaat de deur voor mijn neus dicht. Na een poos komt er een man naar buiten, die mij letterlijk ondervraagt over de familie en hoe of alles in elkaar zat. Maar toen ik zei dat ik een dochter was van Wybranda Koelewijn en Jan van Diermen was het in een keer in orde en mocht ik binnen in de veilige haven. Ja, de mensen waren toen ook al wantrouwend, maar ze kwamen net als mijn ouders uit Spakenburg en dat brak het ijs. Ik was bovendien ook nog een achternicht.

Geheugen van Drenthe

Ons Ruinerwold | 2002 | | pagina 40