Natuurlijk zei ik direct dat mevrouw juist vandaag naar haar in Rotterdam gegaan was. "Aha", zei ze, "dan hebben we het rijk alleen. Heb je eten in huis?" Daar ik niet kon liegen sprak ik over het emmertje met de aardap pelen door mevrouw en mij zo zorgvuldig klaargemaakt. Maar met na druk zei ik, dat het voor de avond was bestemd als haar zuster weer thuis was! chirurg in Apeldoorn was. Elk jaar tegen Kerst stuurde hij een zelfgeschO-e ten haas, die bij haar aan de schuurdeur moest besterven en die ze dan door de slager vakkundig liet klaarmaken. Maar ze was er trots op dat ze hem zelf braadde voor hazenpeper. Een loper en matjes kloppen ging vlug. Dan de keuken een beurt en wat afwassen. Net toen ik me in een gemakkelijke stoel liet zakken met een tijdschrift, ging de bel. Diep zuchtend ging ik naar de deur. Het was een oude dame in een bontjas die manhaftig naar binnen stap te en de simpele woorden sprak: "Ik ben de zuster van mevrouw Pilaar en kom op visite." Meteen duwde ze haar jas in mijn handen en zei autoritair: "Netjes ophangen, want het is alles wat ik heb". Toen dreef ze mij naar de kamer en nam plaats op mijn makkelijke stoel. Sjonge, dat was even schrikken. "Ik wens onmiddelijk koffie". Voordat ik het wist was ik al in de keuken en zette koffie en bedacht dat ik van de ene baas in de andere was gevallen. Zo er nog enige twijfel zou rijzen over haar identiteit was de bazige toon en de gelijkenis zo goed dat het alle onzekerheid wegnam! Zo had ze altijd in een auto gereden en nooit gefietst wat voor mij on denkbaar was. Ik vertelde over mijn jeugd in ons dorp en ons grote gezin. Toen we een keer zo genoegelijk bij elkaar zaten, ontdekte ze bij mij een geneeskrachtige hand en vroeg omdat ze zo'n last had van koude voe ten of ik haar wilde masseren en dat heb ik geweten. Elke avond heb ik haar voeten krachtig gewreven. Op een dag had ze bij de groenteboer wortels gekocht en omdat alles toch schaars werd, het was immers oor log, had ze van een kennis wat aardappelen gekregen. Zo zaten we sa men gezusterlijk een klein emmertje vol te schillen. We zouden er nog wat uien bij doen en dan een vorstelijke maaltijd hebben. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik nooit genoeg eten kreeg want zij was totaal niet berekend op een gezonde kostganger van 17 jaar. Mijn ouders stuurden wel eens pakjes met wat mondvoorraad wat ik dan stiekem in mijn eigen kamer op at maar deze keer scheen het geluk me toe te lachen. Toen ze ook nog zei dat ze de volgende dag naar haar zuster in Rotterdam wilde gaan en dan des avonds het eten zou gebruiken, was ik blij om een dag alleen te zijn. Opgewekt deed ik haar 's morgens uitgeleide om de mij opgedragen plichten zo gauw mogelijk af te krijgen.

Geheugen van Drenthe

Ons Ruinerwold | 2002 | | pagina 36