Bron: De Spiegel 3 maart 1956 wrange climax bereikt in de kreet: WE HEBBEN ER HET GELD NIET VOOR!! Het hoe en wat hieromtrent kunnen wij aan de weet komen uit een alles zins boeiend raadsverslag in de plaatselijke courant: "De agenda telde 32 punten en het was een hele kluif, waaraan de raad om half acht met op gewektheid begon. Toen drie uur later de hamer van de voorzitter voor de laatste maal viel, waren er enkele belangrijke dingen gebeurd. U begrijpt al wat één der belangrijk ste dingen was. Leest II maar: Toen was Tweeloo de- finitief(l) en onher- roepelijk(i) veroor deeld tot het breekijzer van de sloper. Waarom? Omdat het Ministerie van Onderwijs, Kuns ten en Weten schappen had la ten weten dat geen bedrag voor Jan Klaver komt af en toe buurten bij boer Egbert Luten, X 4 die de oudste boerderij bewoont. Ook boer Luten - met Ce resiauraiie van stok - zou liever een moderne boerderij hebben, als dat Tweeloo beschik- tenminste niet te veel aan huur zou gaan kosten. Jan baar kon worden Klaver vindt het jofel in tweeloo, waar de mensen één gro- gesteldEn daar- te familie vormen. om stelden B. en W. voor (en wij verwijzen nogmaals naar onze onderstreping in de aan vang van dit verhaal), daarom dus stelden deze zelfde B. en W. voor, thans uitvoering te geven aan het uitbreidingsplan dat algehele afbraak van Tweeloo vordert. De raad, zo vernemen wij vervolgens, legde het moedeloze hoofd in de schoot. Twee heren spraken hun teleurstelling uit over het zojuist gevelde doodvonnis: de voorzitter van de raad (lid van het college van B. en W. en een zekere heer De Wolde, die ons later nog eens in poëtische taal vertelde wat er nu eigenlijk was gebeurd. "Och," zo zei hij, vermoeid voor zich uitkijkend. "Och, Tweeloo is als een stokoude opoe die op sterven ligt maar met doktershulp toch nog op de been geholpen zou kunnen worden. Maar het kind Meppel vindt de ge neeskundige hulp te duur en denkt: hoe eerder ze uit haar lijden is hoe be ter, want dan hebben we een lastpost minder." H.Q. P.

Geheugen van Drenthe

Ons Ruinerwold | 2002 | | pagina 10