Alblasserwaard gegaan, omdat hij daar allemaal mensen kende die ook
van de ondergrondse waren. De heer Schat was een hoofdambtenaar in
het gemeentehuis van Gouda. Hij woonde in de Krugerlaan en van hieruit
verliepen heel veel verzetacties. Elke donderdagavond was er een bij
eenkomst. Evert Jan kreeg te horen dat er in Rotterdam behoefte was
aan eten voor onderduikers. Dus vertrok Evert Jan richting Rotterdam. Hij
ging op zoek naar boeren die wat eten konden missen voor deze onder
duikers. Hij kwam terecht in de Hoekse Waard. Hij vond boeren in
Mookhoek, Strijen, West-Maas bij Cuispel, Maasdam, Puttershoek, Sas van
Gent, Nieuw-Beierland en Goudswaard. Maar vanwege het lange pos
tuur van Evert Jan werd hij opgemerkt door de Duitsers in Gouda. Daarom
kreeg hij een siaapadres vlakbij Gouda. Maar algauw kreeg hij te horen
dat hij moest onderduiken en hij vertrok naar een boer aan de Westeinder
Plas. Veel mensen in het verzet om Evert Jan heen werden opgepakt en
weggevoerd om daarna nooit meer terug te komen. Dus besloot hij dat
het tijd werd om een betere vorm van verzet te vinden. Omdat hij bij de
Jonge Boeren en Tuinders Organisatie was aangesloten had hij contac
ten door het hele land. Hij en zijn contacten bouwden een organisatie op
met verbindingen door heel het land, waardoor berichten via bepaalde
lijnen naar een middelpunt konden worden overgebracht. Het middel
punt was in Doorn waar ingenieurs van Shell die ook officieren waren alle
berichten en kaarten verder behandelden. Ook kaarten van Duitse ver
dedigingswerken konden via zulke lijnen naar Doorn worden doorgege
ven, maar Evert Jan mocht zelf niet naar Doorn. Dat ging allemaal via via.
Cartografie
Omdat deze organisatie geheim voor de Duitsers moest blijven, was het
nodig dat er met zo weinig mogelijk mensen werd gewerkt. Het begon
vanuit Rotterdam, in de omgeving van de Hollandse IJsel, vervolgens
langs de Gouwe, het Bradermeer en dan bij de Westeindersplas. Eerst
moesten de streken worden uitgezocht waar de meeste verdedigings-
plaatsen waren of waar ze gemaakt werden, voordat ze op de kaart kon
den worden gezet. Alles moest heel nauwkeurig worden bepaald. Evert
Jan mat de afstanden door er langs te fietsen. Hij had namelijk uitgeme
ten welke afstand de fiets aflegde als de trappers eenmaal rond gingen.
Ook als hij op onderzoek moest in een verboden gebied, ging hij gewoon
met een dokter of tandarts mee, zodat hij alles goed kon bekijken. Alles
werd heel precies ingevuld en tegen het eind van de oorlog was het dan
ook de bedoeling dat de kaarten rechtstreeks naar de oprukkende
Canadezen werden gebracht. Mensen uit het hele land hebben hieraan
meegewerkt.