27 26 Er werd overigens ook gewaarschuwd voor de eventuele gevaren in het westen, die hier voor de meisjes op de loer lagen. Zo stond er in de Hoogeveensche Cou rant van 25 oktober 1899 een ingezonden stuk van de Vereeniging ter behartiging van de belangen van Jonge Meisjes. Een deel hiervan wil ik u niet onthouden: De zondag was voor de meeste dienstmeiden een vrije dag en dan gingen ze lopend of op de fiets naar hun ouderlijk huis om dezelfde avond weer naar de boer terug te keren. Van arbeidsvoorwaarden had men in die tijd nog nooit gehoord. De meesten had den geen rechten of genoten geen bescherming. Het enige wat ze wisten was. dat ze eten en een bed hadden en dat ze iets betaald kregen voor hun werk. De ouders van de dienstmeisjes waren vaak al lang blij dat hun dochter onder de pannen was, zoals de uitdrukking heet. De keerzijde was dat sommige meisjes verkering kre gen in het westen, daar trouwden en vervolgens niet meer lerugkeerden naar hun geboorteplaats. Velen van ons kennen nog wel iemand (een tante, grootmoeder of verre nicht), die vroeger is ‘gaan dienen'. De 20e eeuw De geschiedenis van huispersoneel wordt in de twintigste eeuw steeds meer een geschiedenis van vrouwen. In 1920 maakten zij al meer dan 80 procent uit van het dienstbodenbestand. In de eerste veertig jaar van de twintigste eeuw was de tijd voor wat betreft de sociale wetten en arbeidswetgeving voor het huispersoneel blijven stilstaan. Echt overtuigd, om iets aan het wettelijke statuut van het huispersoneel te doen, waren de wetgevers niet. Het waren immers allemaal mannen en ze beschikten zelf over één of meerdere dienstboden. Het leek wel of de sociale vooruitgang aan de dienstmeisjes voorbij ging. Er was geen arbeidscontract, geen wetgeving en geen volledige sociale zekerheid. Ook de onmondigheid van deze jonge meisjes speelde hierbij een belangrijke rol. Bovendien bleef de vraag naar dienstmeisjes sterk dalen, waardoor het werk voor hen schaarser werd. Tussen 1920 en 1940 gingen de jonge vrouwen ook in andere sectoren werken, zoals de industrie en in w inkels, waar zij meer konden verdienen. In 1930 waren in ons land nog ongeveer 95.000 dienstboden aan het werk. In 1947 was dit aantal gedaald tot ongeveer 52.500. De stijging van de levensstandaard na de Tweede Wereldoorlog deed in veel gezinnen de noodzaak afnemen om jongeren ‘uit die- voor dag en nacht. De vrouwen van de herenboeren hadden de leiding over de meisjes. Als je als twaalf- of dertienjarige bij de boer kwam werd je een ‘kleine meid’ genoemd. De kleine meid hielp in de huishouding en met de kinderen. Grote meid was je vanaf een jaar of zestien. Zij deed het zwaardere werk, zoals twee keer per dag koeien melken en de tuin onderhouden. Het was hard werken op de boerderij. De dag begon om half zes met koeien melken en het aanmaken van de kachel, gevolgd door melkbussen schoonmaken en de overige w erkzaamheden. De meisjes bleven vaak op de boerderij tot ze een jaar of tw intig w aren. De mees ten verlieten het dienstmeidenbestaan omdat ze gingen trouwen. Trouwen was de manier om te ontsnappen aan het zware werk. Het dienen bij de boer, zoals men dat noemde verdween vanaf de vijftiger jaren voor de heel jonge meisjes. Som mige meisjes zochten een baan in de stad. Vanaf het eind van de veertiger jaren kwam dit steeds vaker voor. Het westen Sommigen vertrokken hiervoor zelfs naar hel westen van het land, omdat welge stelde mensen die daar woonden in Oost- en Noord Nederland naar personeel in de huishouding zochten. Ze wisten namelijk dat meisjes uit deze omgeving hard konden werken en goede manieren kenden. Het geld dat ze verdienden moesten ze meestal thuis afgeven om een bijdrage te leveren in de onderhoudskosten van de vaak grote gezinnen. Veel verdienden ze overigens niet en de omstandighe den waarin ze moesten werken lieten nogal eens te wensen over. De dienstmeisjes werden vaak bot behandeld, al waren hierop uiteraard uitzonderingen. “Aan de Vaders en Moeders die hunne dochters in betrekkingen of diensten geplaatst wenschen. Waarde Vrienden! Deze brief moge dienen om u te waarschuwen tegen het gevaar dat uwe kinderen bedreigt. Wij stellen groot belang in hun lot en hebben voontamelijk het oog op uwe doch ters, die zoo vroeg reeds het ouderlijk huis verlaten om een dienst of betrekking te zoeken in de eene of andere groote stad. Daarom verzoeken wij U vriendelijk laat dezen brief ook aan uwe dochters lezen. Het is immers sinds lang de gewoonte bij u dat de meisjes naar Amsterdam, Rot terdam. den Haag enz. gaan omdat gij meent dat zij in de dichtbij gelegen klei ne plaatsen geen dienst meer kunnen vinden. Wij willen aannemen dat het niet gemakkelijk is, maar wij gelooven ook dat er wal nieuwsgierigheid bij komt, en de meisjes eens willen onderzoeken of het ver van huis, in die gmote stad, geen heerlijk leventje is. Daar krijgen ze meer loon, kunnen meer van de wereld zien, enz. enz. En wat is het einde er van? Ouders. WEET gij het WEET gij. dat indien gij ze daarheen zendt zonder te hebben onderzocht bij WIE ze komen, ze heel licht in handen vallen van slechte menschen, mannen en vrou wen die er op uit zijn onervaren meisjes in den val te lokken, en die er geld mee verdienen om op de afschuwelijkste wijze de jeugd te bederven? De groote steden zijn vol van holen der ongerechtigheid en der sluwste verleiding, waarin en waardoor uwe arme kinderen verdwalen en verloren raken. Gij hebt immers uwe kinderen lief? Tot zover dit citaat.

Geheugen van Drenthe

De Veenmol | 2013 | | pagina 15