5.1
se
19
18
‘Huplichtjes nu. wijzen den plaats aan waar schatten verborgen liggen, en alzoo
toog de man aan ‘t graven. Als ligt te denken is, vond hij geen schatten - maar wat
asch en beenderen, gesloten in aarden grafurnen... De urnen toch - alle helaas in
schen en - rustten op eene vloer van keistenen - en deze urnen zei ven schijnen
een andere vorm gehad te hebben, en ook grooter te zijn geweest dan men ze
gewoonlijk ziet. De scherven die ervan bewaard gebleven zijn, hebben eene don
kerbruine kleur, en zijn versierd met strepen, die zich ruitsgewijs kruisen.’
In hetzelfde jaar, misschien wel naar aanleiding van dit krantenbericht, werd door
enkele leden van het Provinciaal Museum ’eene opgraving’ gedaan. In het verslag
van die opgraving is sprake van niet minder dan twintig heuvelen, waarin men
niets anders dan 'verbrande menschenbeenderen en asch’ heeft aangetroffen. De
archeoloog W. Pleyte onderzocht de schenen die door genoemde boer waren ont
dekt. Eén scherf was beland in het Museum van Oudheden in Leiden, de anderen
in het Provinciaal Museum in Assen.
Pleyte zette de 17,5 centimeter hoge pot in elkaar en kreeg toen een versiering
te zien van elkaar kruisende lijnen, een soort dambordpatroon, dat nog nooit in
Drenthe was aangetroffen. Die pot prijkt nog steeds in het Drents Museum.
ste heuvels 'tot de grond toe’ heeft laten slechten. De aan
leiding was het optreden van de vroedvrouw Jenneke Ham.
Zij bracht kraamvrouwen verlichting bij het bevallen met
een alruinwortel. Die werking werd krachtiger als de wor
tel in een maanlichte nacht zou zijn begraven in een graf
heuvel of bij een hunebed.
Dominee Cuitenius vond dit ontoelaatbaar bijgeloof. Bij
het slechten van de grafheuvels kwam men 'pottekens met
Achtentwintig jaar later, in 1941. inde
oorlog, werden de sporen daarvan terug-
gevonden. In dat jaar was de Nederlandse
Heide Mij hier bezig met ontginnings
werk. Op het land van M. Drenth uit
Fluitenberg werden de grafheuvels aan-
getroffen. Tien tewerkgestelde arbeiders
groeven onder leiding van voorwerker A.
Moes enkele heuvels af. Bij de ontdek
king van het graf werd niet direct de
betekenis van de maliënfragmenten her-
kend. Men dacht een simpel kindergraf te
hebben aangetroffen, waarbij de maliën
werden gezien als mogelijk onderdeel
van een gordel. Een tweede onderzoek
speelde zich af in 1949.
In diverse grafkuilen waren crematieres-
Schamele restanten
Op verzoek van mr. J. Meursing, advocaat-procureur en plaatsvervangend kan
tonrechter in Hoogeeen, verrichtte dr. Albert Egges van Giffen, de later zo bekend
geworden hoogleraar en archeoloog, in 1913 hier een kleine proefopgraving.
Bijgeloof
De grafheuvels van Fluitenberg prikkelden ooit de fantasie van de bekende Hoo-
geveense schrijver Albert Steenbergen. In zijn werk De Clapper der Calkoens'
beschreef hij eind 19e eeuw, hex: de predikant Petras Curtenius twee van de groot
ten en grafgiften. In een van de tumuli vond men ijzerresten in de vorm van een
gesp met een samenstel van kleine ringetjes, de eerder genoemde maliënkolder.
Bij het uitgraven kwam een ronde kuil voor de dag, eens bekleed met een vlecht
werk van takken. In het midden werd op diep niveau in het grondwater de punt
van de ingeslagen middenpaal gevonden. Hier was het hout nog bewaard. Het
bleek naaldhout tc zijn. Verondersteld werd dat deze kuil honderden jaren geleden
de schuilhut is geweest van een schaapherder.
In totaal zijn er in 1941 en 1949 acht heuvels onderzocht. Drie ongenummerde
heuvels zijn de enige die van de 'Zevenberg' bewaard zijn gebleven. Deze zijn in
de zomer van 1993 gerestaureerd. Het zijn de schamele restanten van een uitge
breide prehistorische begraafplaats.
Alben Steenbergen (1814-1900) die zijn fantasie tiet gaan over mensen
uit de 17e eeuw.
Sterk vergrote opname van een aantal maliën. (Provinciale Fotodienst Drenthe)
De in 1875 opgegraven pot met het ‘dambord
patroon’ volgens een tekening van de archeo
loog W Pleyte.