59
58
Verantwoording
Dit verhaal is evenals dal in afl. 4 van 2007 afkomstig uit een breder onderzoek
naar de eerste jaren van openlegging van het Echtener Veen 1625-1635). Het is
de tweede openlegging van een veencomplex in de Landschap Drenthe binnen
korte tijd waarvoor het Drents bestuur octrooij verleende. De eerste aktiviteiten
in de Smilder Veenen stammen uit de jaren 1612-1618. De vervening wil daar
niet vlotten vooral vanwege perikelen met de schipvaart en de verlaten. Pas
rond 1630 en met name na 1633 worden verbeteringen doorgevoerd. De Com
pagnie van de Echtense Veenen. zoals die de eerste jaren wel wordt genoemd,
start officieel 12 maart 1631. Achtergrond van beide ondernemingen is de grote
behoefte aan brandstof in de bruisende economie van de zeegewesten van de
Republiek.
Conclusies
Uit de verslagen valt op te maken dat de persoonlijke relaties tussen de bezoeken
de participanten en de jonker goed waren. Alle bezoekers logeren op huize Echten.
De Spiegels zijn zelfs opgetogen na terugkeer. Dit lijkt op het eerste gezicht niet te
rijmen met een recente interpretatie dat juist Pieter Laurens Spiegel, ook betrokken
bij de aankoop van venen onder Meppen in 1631. in een diezelfde dagen lopende
rechtszaak door Van Egten op een onheuse manier behandeld zou zijn. Verder lijkt
de nog maar net gestarte veenderij van de Compagnie van de Echtense Veenen
beter te verlopen dan die van de Hollandse Compagnie in de Smilder Veenen. Ze
loopt zelfs voorop en Smilde neemt er. wat betreft de constructie van verlaten
Mooi zijn de opmerkingen over de pramen die bij de afvaart van de turf betrokken
zijn. Al in deze vroegste jaren varen die blijkbaar in violen, mogelijk zo'n 50 lot
60 pramen groot, de vaan op en neer. Opzet hiervan was om grotere aantallen pra
men per kanaalpand bij elkaar te houden om zo hel waterverlies zoveel mogelijk
te beperken. Uil hel verslag zou op te maken zijn dat deze pramen op dat moment
ook in de veenderij afgemeerd liggen, maar dit hoeft niet het geval te zijn geweest.
Wel lijkt het er op dat ten tijde van hel bezoek - en dat is in het graafseizoen - al
afgevaren wordt. In ieder geval zijn er veel meer pramen in de vaart dan de 8 die
de Compagnie zelf in eigendom heeft en waren er in deze jaren w aarschijnlijk al
veel meer afvaarten dan tot nu bekend.
Vloten
Na de vrij snelle inspectie langs de schipvaart, zijn de vier mannen niet zo te
spreken over wat ze daar van zagen en over hoorden. Nu leverde de eigen vaart
juist erg veel moeilijkheden voor de scheepvaart. Zo was die deels behoorlijk
smaller dan de hier gemeten 5.60 en hadden de meeste verlaten slechts één
waterkering. Dat ze alleen spreken over sluizen lijkt er op te wijzen dat alle
verlaten in de vaart twee waterkeringen en een schutkolk hebben. Maar het zou
kunnen dat ze niet alle verlaten hebben gezien of enkel die met tw ee w aterke
ringen vergelijken met de eigen sluizen. Die zouden ook veel meer kwaliteit
hebben. Merkw aardig is dan wel dat in de Grift naar de Smilder venen op dat
moment nog maar twee sluizen aanwezig zijn en ze zijn ook nog maar net klaar.
De heren hebben dus zeer waarschijnlijk alleen nog maar de tekeningen van de
nieuwe sluizen, gemaakt door Adriaansz. Leeghwater, bekeken en vergelijken
wat ze zien daar mee.
gewoon de door deze participanten veelal gehanteerde maat. Het zou om ongeveer
1200 dagwerken kunnen gaan (dagwerk= de dagproductie van een ploeg arbei
ders van 6-8 man) en die zijn door hen omgerekend naar manden. Dit lijkt me
als productie van het graafseizoen 1634 veel te veel en dan zou het grotendeels
eerder gegraven en gedroogde gemeenschappelijke turf betreffen en die zal voor
een belangrijk deel nog op het veld gestaan hebben. Het zou dan turf zijn die met
name is vrijgekomen bij de aanleg van de Grift, opgaanden en dwarswijken of
dwarssloten zoals deze Hollanders zeggen).
Niet voor niets heb ik de reis van deze Hollandse participanten boven nog even
kort gevolgd. Hel laat zien dat ze blijkbaar in staal en bereid w aren een w eck uit
te trekken voor een veenonderneming in Drenthe en daar een deel van de tijd ook
nog hard voor aan het werk te zijn. Wellicht zegt dit ook iets over het belang dat
de Hollandse participanten in het Echtener Veen aan hun veenderij hechtten. De
algemene indruk die de gevonden mededelingen te slotte geven is dat de Echtense
veenderij slagvaardig en voortvarend is aangepakl en dat dit vooral het werk van
jonker Roeloff van Egten lijkt te zijn geweest. Vooral in het voor ons stille jaar
1633. waarin geruzied wordt over akten en contracten, moet er hard zijn gegraven
en getimmerd.
Bron is hier Journaal B. folio's 44. 49 en 122-124. inv.nr. 12 in het Archief Hol
landse Participanten aanwezig in het Drents Archief. De bezoeken worden in de
literatuur over de Smilder verveningen op een aantal plaatsen genoemd. Zie H.
Gras. Langs de vaart. Geschiedenis van Smilde. 1997. p.18; W.H. Keikes. Veen
exploitatie in Drente met Amsterdamsch kapitaal in de 17e eeuw, in: Jaarboek
Genootschap Amstelodamum, 159. 1942, p.14; W. Koning. De Heerlijkheid Hoo-
gersmilde oftewel Vervening van het Drentse veen door de Hollandsche Com
pagnie der Dieverder en Leggeler Smilderveenen. z.j. z.pL.p. 34; G.A. Coert,
Stromen en schutten, vaarten en voorden. Geschiedenis van de natte waterstaat in
Drenthe 1291-1988. 1991 (ook verschenen als artikel in de Veenmol 1993-4). p.90
en G.A.Coert. Een mislukte kolonisatie. Werken en wonen in de Smildervenen in
de 17e eeuw. In: Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis. 2, 1993. nr.2. p.64 en
66-67.Naast de bron is vooral dit laatste artikel gebruikt. Hel recente artikel over
de eerste bewoning is van de hand van Albert Metselaar en staat in afl. I van 2006.
Ook de interpretatie van bovengenoemde rechtsgang is van Metselaar en te vinden
op zijn web site.
en huizen en hel in cultuur brengen van de grond, een voorbeeld aan. Ondanks
de geconstateerde gebreken lijkt Je schipvaart van de Echtense Compagnie beter
bevaarbaar dan die van de Hollandse Compagnie gezien het grote aantal pramen
dal al bij de turfafvoer betrokken is.