door Fritser Nijstad
54
Twintig huijsen ende vele tuijnen ende
beplantingen
Hollands bezoek aan het Echtener Veen in 1633 en 1634
Pas om een uur of tien in de avond arriveert het gezelschap hij huize Echten. Daar
zal men niet direct te bed zijn gegaan, maar toch waren de mannen de volgende
morgen alweer om vijf uur op om rond acht uur in Dieven te kunnen aankomen.
Ondanks dat het de dag des Heren is. gaat het gezelschap daar in de middag weer
flink aan de slag. Wel na eerst een predicatie te hebben aangehoord en ‘gemid-
dachmaelt’ te hebben. De hele verdere maandag en ook gedurende de nacht wordt
doorgewerkt aan metingen, het uitzetten van het grondwerk en het schrijven van
het bestek. De aanbesteding vindt dinsdagmorgen plaats in Diever. waarna in Mep-
pel nog wat zaken geregeld worden. Woensdagmorgen vertrekt men naar Swarte
Sluys om scheep te gaan, maar vanwege het durende windstille weer wordt beslo
ten via Kampen en Nijkerk naar huis te rijden. In Amersfoort bezoeken de heren
donderdag nog een bosplantagie en arriveren na bijna een week op vrijdag weer
in Amsterdam.
Over wal er in de allereerste jaren van openlegging in het Echtener Veen zelf
gebeurde zijn heel weinig directe gegevens bewaard gebleven. Zo treffen we in
de verslagen van de vergaderingen van de Compagnie van 1633 vooral perikelen
rondom de scheiding van de venen aan. Over het verloop van de veenderij worden
we nauwelijks ingelicht. Reconstructies met behulp van met name indirecte gege
vens in akten en contracten en op kaarten kunnen dan enig inzicht geven. Echter
in de bekende publicaties wordt over het graven en timmeren in het veen in de
vroegste jaren weinig tot niets verteld. Wel is er recent in een verhaal in dit blad
gespeculeerd over die bewoning.
Nu ontdekte ik bij mijn onderzoek naar deze vroegste jaren kortgeleden in een
van de bekende journalen van Pieter Serwouters - de ‘penninckmeester’ van de
Smilder veenderij - enkele regels gewijd aan een tweetal Hollandse bezoeken
aan de vervening bij Echten Het betreft verslagen van ooggetuigen en ze zijn
tot nu onopgemerkt of in ieder geval ongebruikt gebleven. Veel informatie wordt
niet geleverd, het zijn momentopnamen en wat verteld wordt is subjectief, maar
gezien het weinige dat bewaard is gebleven zijn deze gegevens zeer welkom bij
een poging een beeld te vormen van de vroegste gang van zaken. Zo maken ze
hei mogelijk een tip van de sluier over het denk ik werkzame jaar 1633 op te
lichten.
Weinig wind
Vrijdag 9 juni, om 5 uur s middags, schepen de participanten Charles Loten.
Jan en Govert van der Mije en de landmeter Jan Jansz. van Purmerend, zich te
Amsterdam in voor de reis naar Swarte Sluys. De tocht over de Zuyder Zee duurt
blijkbaar al met al wel 17 uren, want pas ce volgende ochtend om I0 uur arriveren
ze in het stadje. Waarschijnlijk veel later Jan gepland vanwege het ontbreken van
gunstige wind en het lijkt er op dal ze de nacht aan boord hebben moeten door
brengen. Vanaf Swarte Sluys wordt die zaterdagochtend de reis voortgezet met
paard en wagen, ik denk ook omw ille van de tijd.
Na Meppel wordt op deze wijze de nieuwe schipvaart richting de Echter Hooge
Veenen gevolgd of deels gevolgd. Vaart en verlaten worden op een aantal plaatsen
aan een kritisch onderzoek onderworpen. Zo wordt de diepte gepeild en de breed
te gemeten en die laatste blijkt zo’n IS voet (5.60 m.) te zijn. Er is ook informatie
ingewonnen en al met al valt de kwaliteit van vaart en verlaten blijkbaar tegen:
Welcke vaert soo wij verstonden ende oock bevonden veel gebreken onderworpen
is. Soo van ondiepte als inkalvinge ende toestuijvinge van sandt. Onse sluijsen
sijn oock veel bequamer ende stereker gemaeckt Hoe laat het gezelschap ‘boven
in het veen' aankomt wordt niet vermeld, maar dat zal pas aan het eind van de
middag zijn geweest.
Groot verwonderen
Omstreeks de 20e juni 1633 brengt de uit Amsterdam afkomstige participant in de
Smilder Veenen Pieter Laurens Spiegel in gezelschap van zijn vrouw een bezoek
aan ‘de vervening van de joneker van Echten'. Uit hun verslag blijkt dat het echt
paar onder de indruk was van de aangetroffen mooie gewassen en de vruchtbaar
heid van het land ‘dat syn E. ende syn huysvrouw met groot verwonderen aan-
gesien hadden'. Spiegel merkt vervolgens op dal met de eigen onderneming te
weinig ernst gemaakt wordt.
In het journaal worden slechts enkele zinnen aan de indrukken van de Spiegel
tjes besteed, maar voor de al meer dan tien jaren sukkelende Smilder veenderij is
dit bezoek aan Echten waarschijnlijk wel belangrijk geweest. Een aantal zaken
wordt nu grondiger aangepakt. Het gaat met name om de vaart naar Meppel en
de daarin aanwezige verlaten. Zo reist een groepje Amsterdamse participanten
in het voorjaar van 1634 af richting Diever om grondwerk voor de Grift aan
te besteden. Niet linea recta, want eerst gaan ze de in 1632 gestarte veenderij
boven Echten en de daarvoor aangelegde schipvaart naar Meppel inspecteren.
Over deze tweede reis is iets meer opgetekend in een 21 juni te Amsterdam uit
gebracht verslag.
Zondagse werkzaamheden
Daar aangekomen tellen de heren een twintigtal huizen, voor de huisvesting van
de penninekmeester. de veenmeester en de arbeidslieden en deze zijn al ‘wel
bewoond'. Verder zien ze vele tuinen en beplantingen in het toegemaakte veen.
In de veenderij, zo wordt hen meegedeeld, zijn tol dan 300.000 manden turf
gestoken, terwijl het turfsteken nog dagelijks druk voortgang vindt. Verder dat de
afvaart van de turf geschiedt met ‘een groote menichte van 50 tot 60 pramen die
telkens op en neer varen, waarbij de lage waterstand veel ongemak levert en de
pramen soms 1 of 2 dagen moeten wachten tot het water voldoende opgestuwd is.
Ze treffen ook dwarswijken aan met een breedte gelijk aan die van de vaart, voor
zien van wisselplaatsen.
33