39 38 Het tientje van Lucas Aardenburg door Willem Kruizinga Verhaal Of het waar is weet ik niet, maar ik heb van verschillende kanten een verhaal gehoord overeen koets met een lijkkist. Deze koets reed door de Grote Kerkstraat. Ter hoogte van de zaak van kapper Koen Hartman werd alarm geslagen dooreen oplettende voorbijganger. Wat wil het geval? Het was een open koets waarop de lijkkist zich bevond. Door al het heen en weer geschud van de wagen gleed de kist steeds verder naar achteren, bijna van de wagen af. De voorbijganger waarschuw- de de koetsier, w aardoor deze stopte om het onheil te voorkomen Of er een lijk in de kist lag weet ik niet: dat is me niet verteld. Het sprookje voor ieder bruidspaar is de witte trouw coupé. Wal is er mooier dan romantisch trouwen in een witte trouwkoets? Hoewel het vroeger niet veel met romantiek te maken had. omdat het de normaalste zaak van de wereld w as dat je in een koels ging trouwen. Begin 1945. nog net in de oorlog, zijn mijn ouders ook in een koets getrouw d. Het was toen zelfs zo, dat trouwen in een koets de enige mogelijkheid was omdat er toen geen ander vervoer was. tenzij je lopend ging of op de fiets. Platte boerenwagen De platte boerenwagen werd door boeren gebruikt. Eigenlijk voor alles wat zoal vervoerd moest worden. Zo brachten ze er onder andere melkbussen mee naarde melkfabriek. Ook vervoerden ze er allerlei spullen mee die van het land kwamen. Ik kan me uit mijn jeugd nog herinneren dat we op zo'n platte boerenwagen op schoolreis gingen naar het Spaarbankbos. Mijn opa was dan de voerman. Ik mocht dan naast hem zitten als hij het paard mende. Daardoor steeg ik natuurlijk in aan zien bij mijn klasgenootjes. Als abonnee van de Veenmol kreeg ik enige tijd geleden een interessant artikel onder ogen over de Conservenfabriek. Aangezien ik daar van mei t/m oktober 1939 gewerkt heb. zend ik hierbij mijn bijdrage. Als vijftienjarige jongen ben ik bij Lucas Aardenburg begonnen, toen er een nieuw schaftlokaal gebouwd werd. Er moest een septictank geplaatst worden en daarvoor was een diepe kuil gegraven, w aarbij veel grondwater naar boven kwam. Met behulp van een handgedreven ‘kattekop’-pomp moest ik het water wegpom pen. Hieraan werden door mij vele uren besteed, zodat ik 's avonds door het voor mij ongewone werk mijn armen goed kon voelen. Maar in die tijd was iets ver dienen voor mij heel belangrijk, al was mijn loon slechts 10 cent per uur. Het waren lange dagen, althans zo voelde ik het bij dit eentonige werk. Toen de tank geplaatst was. moest ik met een schep de kuil weer dichtgooien en werd er een cementv loer aangebracht. Op die zaterdag, toen het gewone loon uitbetaald werd, was ik erg nieuwsgierig of er ook een extraatje in hel loonzakje zat. Jawel hoor, het was een pak van mijn hart en ik w as zeer dankbaar dat i k het er goed van afgebracht had. Bij pauzes in de groentenaanvoer werd er ander werk gedaan. Zo moest er een betonnen vloer gestort worden tussen het magazijn en de productieplaats, waar de verpakkingsdozen geniet werden. Hier werkte ik bij de betonmolen voor de specie. Dat ging prima. In dat jaar zou de conservenfabriek haar tienjarig bestaan vieren. Iedere werkne mer zou een extraatje in zijn loonzak vinden. Voor mij betekende dat een tientje extra. Maar... ik moest dan wel eerst de directeur feliciteren, werd mij gezegd. Nu was voor mij de moeilijkheid, dat ik in die tijd heel erg stotterde. Zo'n wens aan de directeur kreeg ik niet door mijn keel. Ik heb onder het werken erg gerepeteerd, maar helaas zonder succes. Op een gegeven ogenblik toen de heer Aardenburg bij ons langs kwam, greep ik mijn kans en pakte hem bij de hand. Vervolgens sta melde ik wat keelklanken, met als gevolg dat hij het wel begreep en tegen mij zei: ‘Het komt wel goed hoor!’ Het moet in de doperwtentijd geweest zijn, dat mijn werk bestond uil hulp bij de grote dopmachine. Het w as een hels lawaai, maar wel mooi w erk. Na iedere ande re groente was er ook weer ander werk. Kersentijd, bonentijd, tomatentijd, sla en andijvie, steeds waren er weer andere werkzaamheden. Feitelijk was ik maar een klein radertje bij de verwerking van de groente. Ook het inpakken van de gevulde bussen in grote kooien behoorde tot mijn werkzaamheden. Na een aantal weken kreeg ik rugklachten door het steeds maar weer vooroverbuigen bij het in de kooi en plaatsen van de bussen groente. Nadat de bussen in de kooien geplaatst waren, gingen deze in de stoomketels. Na afkoeling werden ze naar het opslagmagazijn gebracht voor verdere inpakking. Ómdat ik in de groei van mijn leven was. kreeg ik door het zware tillen een ver- groeiing aan mijn rug en schouders. Toen heb ik mijn beklag gedaan bij de direk- de, de heer Lucas Aardenburg. Wat hij toen zei. daar ben ik erg van geschrokken, namelijk: ’Ga jij maar naar huis!' Dal was in die tijd voor mij verschrikkelijk. Werkweigering? Nooit van mijn leven. Ik ben toen weer met hetzelfde werk doorgegaan. Echter, na ongeveer een half uur kwam de heer Aardenburg bij mij en verwees mij naar de magazijnmeester om daar te helpen bij het etiketteren van de busgroente. Daar gingen mijn ogen open, want ik kwam bij de etiketteermachine te staan. Dal werk beviel mij zeer goed en hel zwaarste w erk was voor mij voorlopig voorbij. Bij dit werk gingen mijn gedachten echter richting blikzolder waar mijn broer werkte. Hij zal wel een 'goed woordje' voor mij gedaan hebben, want na een tijdje werd ik geroepen om de grote blikken bussen naar de vulbanen te brengen en te ontdoen van de papieren verpakking. Omdat er werd gewerkt aan een nieuwe blikhal op de begane grond, werd de blikzolder na verloop van tijd gesloten waar door ik als extra kracht niet meer nodig was.

Geheugen van Drenthe

De Veenmol | 2008 | | pagina 21